Zand, kiezels en delfts blauw

Meneer Muntjewerf

Nu ben je groot genoeg om zelf naar de kleuterschool te fietsen: zegt mijn moeder. Ik stap op mijn fietsje met een bonkend hart en ga op weg naar school. O jee: “ Moet ik nu rechtdoor of rechtsaf, ik weet het niet zeker….

Maar de zon schijnt in mijn gezicht, het voelt warm. De vogels zijn vrolijk aan het fluiten en de bomen langs de weg glanzen groen. Daar is een roze boom, ik stop. Ik wil eraan ruiken. Ik stop mijn neus in de bloemen en het ruikt naar de fles op tafel bij mijn moeder. Zoete en zachte geur in een glazen fles in haar slaapkamer, waar ik soms heel stiekem naar binnen ga “
“………….O ja, ik moet naar school.”
Ik fiets vrolijk zingend het schoolplein op en zet mijn fiets weg, zoals het hoort.
Opeens wordt de schooldeur opengegooid met een enorme knal, de juffrouw schreeuwt heel boos naar mij: “ Kom Binnen, jij, wij zijn al begonnen. Sta daar niet zo te dromen.”
Mijn fiets moet op slot van mamma, maar ik weet niet goed hoe het moet. De juf gaat steeds harder staan schreeuwen dat ik nu naar binnen moet komen.
“ ik krijg het warm, heel warm, het lukt niet ? Het sleuteltje zit vast. Hoe….?
Ik probeer te zeggen dat mijn fiets… maar ze luistert niet.
Ik laat mijn fiets maar zonder slot. Als ik bij de deur kom trekt de juf mij aan mijn jas en nek naar binnen, “ Au, dat doet pijn”. Ik krijg pijn in buik en in mijn keel.

In de klas zit iedereen al te wachten en kijken naar mij als ik binnen kom. Zo zegt de juf, “ Gelukkig is de koningin ook binnen. We hebben lang genoeg op haar moeten wachten.” Er wordt gelachen. Ik krijg het warm en warmer.
Ook als Ik steeds kijk uit het raam, “ Staat mijn fiets er nog ?”
Ik steek mijn WC-vinger op, maar de juf wil mijn vinger gewoon niet zien.
Ik sta op en ga de klas uit. De juf schreeuwt, “ Zeg dame, waar denk jij naar toe te gaan….? Ik loop door, gooi de deur dicht, ren door de gang en doe gauw de deur op slot. Gelukkig, pffffff. De juf komt door de gang heen lopen met donderende stem. Ik hoor het niet.

Weg. Ik stap op mijn fiets en ga op weg naar huis. Blij en vrij. Als ik door de smalle steeg van mijn huis loop, roept de buurvrouw Bloemhof, “Hey meiske is de school al klaar?” “Ehh… Ja, vandaag wel voor mij” zeg ik. “Nets gelogen” Ik gooi mijn fiets snel op de grond en naar de achterdeur. Bammm, au, ik knal hard tegen de deur met mijn hoofd. Op slot. Mijn mama is niet thuis.. en dan mag ik niet naar binnen. Ik weet dat de sleutel in de schuur is, maar toch durf ik niet.
Wat nu, de buurvrouw heeft mij gehoord: “ O jee, straks gaat zij mama vertellen dat ik al thuis ben, en dan, wordt mamma boos.” Ik ruik de cake die zij aan het bakken is, maar ga niet naar haar toe.

Ik pak mijn fiets en ga op pad. Ik bots op tegen een grote lange man met een zwart pak, een hoge hoed en een grote tas in zijn handen. Hij houdt mij tegen en buigt door zijn knieen: “ Dag kleine meid met je mooie krullen, ik zie jou elke dag fietsen met je moeder, maar nu ben je alleen… Wat is er aan de hand? De school is nog niet uit“
Ik kijk hem aan, hij is als opa:
“het is helemaal niet leuk, ik kan mijn fiets niet, ik vind school stom, de juf schreeuwt, dat is niet eerlijk, ik mag niet plassen, ik wil gewoon niet naar school.

Rustig zegt hij: ik begrijp je, : Kom maar mee naar binnen, dan blijf je bij mij tot je moeder thuis is.”
“ maar dat mag ik niet niet, zomaar met iemand mee”
Met 1 oog dicht kijk ik naar zijn vriendelijke gezicht, zijn stem is heel zacht. Hij steekt zijn hand uit en ik leg mijn hand in de zijne. Het voelt veilig en vertrouwd.

Ik sta in de gang en het ruikt als boenwas zoals die van mijn oma. De vloer is zo mooi, ik kan dit niet kleuren met zoveel van blauw met geel, roze, oranje tekeningen. Ik zie cirkels, lussen, bloemen, vogels en nog veel meer, De wanden voelen heel zacht en glad. De gang is precies zo breed als mijn gestrekte armen. Ik ren heen en weer met mijn vingers aan de muur als een fladderende vogel. Meneer Muntjewerf rent mee. Samen lachen is fijn.

De woonkamer flonkert als de draaimolen op de kermis, ik kan overal naar kijken – alles straalt en sprankelt in dansende lichtjes. “kijk maar en voel maar” zegt meneer Muntjewerff. Ik mag gewoon alles oppakken en aanraken. Zelfs mag ik gaan rondrijden met een kleine poppewagen met hele grote wielen. De pop is heel anders, als mijn pop thuis. Hij vertelt over de pop : “De pop was van mijn vrouw, niet om mee te spelen, maar om mooi aan te kleden en voor de sier in de poppewagen te zetten. Ze is van steen, als je haar laat vallen is het kapot. Maar ik denk dat jij er voorzichtig mee bent.
Dan zie ik een kast gevuld met blauw en wit. De kast heeft wel 1,2,3 en 4 deuren, de bovenkant met glas, de onderkant van hout. Het glas heeft glinsterende randjes, het blauw en wit beweegt als je er langs loopt.
Buiten staan rieten stoelen, als ik erin ga zitten, begint de stoel te bewegen. Ik spring er snel weer uit, hij zegt” je mag wel wiebelen”

“Heb je dorst?” “ Ja”. Hij loopt naar binnen. Bij mijn eerste slokje trekken mijn wangen samen “Het is koud” “dat hoort zo, het is ijsthee”. “lekker, “. De plak koek die ik ook krijg heeft een mooi streepjes patroon, ik probeer plakje voor plakje eraf te halen, maar dat lukt niet.
Meneer Muntjewerf kijkt mij aan en lacht. “als je wilt mag je altijd langskomen, je bent welkom.”
“ mag ik nog even blijven ? ik wil niet naar huis.”
“Het is beter om naar huis te gaan, want de school gaat uit. En je moeder hoeft zich dan niet ongerust te maken.”

Ik wil niet weg maar ren snel de deur uit, pak mijn fiets.
Ik kijk om en geef hem een grote zwaai.
Steeds ga ik naar hem toe, wel vaker dan mijn 10 vingers, totdat de kleuterjuf mijn moeder opbelt met de vraag, Wanneer Monique nog eens op school zou komen.

Het was zo heerlijk mijn eigen geheime plek te hebben,
Delfts blauw, een doos.
2 jaar later, op een avond staat een man voor de deur. In zijn ene hand een doos en in zijn andere hand een poppewagen.